Wijngaard met Phylloxera: spaarzaam loof en bruin worden van de bladeren door aantasting van de wortels.

In de 19e eeuw werden de Europese wijngaarden geteisterd door een enorme plaag die uit Amerika was overgebracht: de wijnluis ofwel Daktulosphaira vitifoliae van de familie der Phylloxeridae. Deze luis werd oorspronkelijk in Frankrijk Phylloxera Vastatis genoemd en is, zeker in de cognacregio, nu nog onder deze naam bekend. De plaag bereikte Frankrijk in 1865, net tien jaar nadat er een andere grote crisis was afgewend, namelijk die van de oïdium ofwel meeldauw (niet te verwarren met mildiou, de valse meeldauw). Het waren enthousiaste Engelse botanisten die in de vijftiger jaren wijnplanten uit Amerika naar Engeland meenamen. De inheemse Amerikaanse wijnplanten waren resistent tegen deze luis, althans gedeeltelijk, maar in Engeland werden meerdere wijngaarden verwoest alvorens de eerste tekenen op het vaste land zichtbaar werden. Dat was in 1863, waar in de Provence rond de Rhône de eerste wijngaarden onverklaarbaar wegkwijnden. Tussen 1865 en 1868 werden de wijngaarden in de Provence in grote getale verwoest en werd een commissie ingesteld van wetenschappers van de Société Centrale d’Agricultre de l’Hérault: Jules-Emile Planchon, Gaston Bazille et Félix Sahut. Op 15 juli 1868 groeven zij wortels uit in Saint-Martin-de-Crau tussen Arles en Marseille en met een vergrootglas ontdekten zij steeds wriemelende massa’s hele kleine gele beestjes. De entomoloog Signoret herkende dat de luis tot de familie der Phylloxeridae behoorde en Planchon noemde hem met gevoel voor drama Phylloxera Vastatrix, wat de vernietiger betekent. En zo wordt hij nog steeds genoemd: Phylloxera, wijnluis, druifluis of gewoon ‘Insecte, met een hoofdletter!

In de cognacstreek werden de eerste wijngaarden pas in 1872 aangetast, bij Grouin en bij Chérac. Maar rond 1875 was de gehele streek aangedaan, behalve de Borderies en de ‘Pays Bas’ waar het beestje ten gevolge van de relatieve vochtige grondsoort slecht aardde. 1878 en 1879 waren de jaren met de grootste ravages. Uiteindelijk werd meer dan 80% van de wijngaarden verwoest. Gelukkig waren er grote voorraden cognac opgebouwd in de ongeveer tien jaar die hieraan voor gingen. Met name 1869, 1871, 1874 en 1875 waren bijzonder goede jaren geweest met hoge opbrengsten. Omdat de grote huizen hun cognacs nu tegen veel hogere prijzen konden verkopen ten gevolge van de schaarste die was ontstaan, werden de grote huizen nog groter en gingen vooral veel kleine wijnboeren failliet.
Waren er in 1877 nog 283.000 Ha wijngaard in de cognacregio, in 1893 waren dat er nog maar 41.000!

L’INSECTE.

Zoals gezegd behoort de phylloxera tot de familie der Phylloxeridae die weer tot de orde der halfvleugeligen of snavelinsecten (Hemptera) behoort. Het is één van de vele soorten bladluizen. Het is een beestje met een complexe levenscyclus, want hij kent wel achttien! verschillende stadia. De vier hoofdvormen zijn het sexuele stadium, bladstadium, wortelstadium en het gevleugelde stadium.
De volwassen insecten, de adults, zijn allemaal vrouwelijk en kunnen zich asexueel vermeerderen (parthenogenesis). Zij leggen ongeveer 200 eitjes per keer en kunnen dit tot zeven keer per zomer doen. Dus één diertje kan een hele wijngaard volledig besmetten.
Er is nog veel onbekend wat betreft de levenscyclus van dit beestje. Zo weten we niet hoeveel crawlers of larven er overwinteren of hoe het komt dat zich opeens een gevleugelde vorm ontwikkelt. 
De gevleugelde vorm komt in de herfst uit en legt mannelijke en vrouwelijke eitjes op de bladeren en gaat vervolgens dood. De mannelijke en vrouwelijke larven paren en elke vrouwelijke larve legt één ei in de schors van de wijnstok. Vervolgens sterven ze. Het eitje overwintert en in de herfst komen hier de vrouwelijke larven uit die zich asexueel vermeerderen door eitjes te leggen in gallen die ze vormen op bladeren en ranken. Dit zijn honderden eitjes per keer en elke zomer kan ze dit meerdere malen doen (tot ca. zeven keer). Deze insecten maken ofwel nieuwe gallen op de blaadjes ofwel migreren naar de wortelstokken en bouwen daar gallen en produceren vervolgens ook weer eitjes. Dit resulteert in miljoenen larven per seizoen. Afhankelijk van omstandigheden (aanwezigheid van voedsel, omvang van de populatie, temperatuur) ontwikkelt een larve zich soms tot een gevleugelde vorm die naar een gezonde plant migreert.

Schema van de levenscyclus van de wijnluis

VormStadiumActiviteitNakomelingHabitatPeriode
Sexuele vormMannelijke en vrouwelijke eitjesde eitjes komen uit; mannetjes en vrouwtjes paren en elk vrouwtje legt één ei in de schors van een oudere staméén ei; dat overwintert;

Schors van oudere stam; Herfst
FundatrixKomt uit ei en begeeft zich naar blad of rank en maakt hier een gal en legt eitjeshonderden eitjes die uitkomen; dit zijn crawlers of instar nymphsgaan naar blad of wortel;
overwintert eventueel in wortel
Lente
Bladvormnymphs en/of adultsLeggen eitjes in gallen; honderden, meerdere keren per zomer parthogenesislarvenNaar blad of naar wortel
Overwintert in wortel
Zomer
Wortelvormnymphs en/of adultsLeggen eitjes in gallen; honderden, meerdere keren per zomer parthogenesisLarven; Naar andere wortel of andere wijnstokken;
of afhankelijk van omstandigheden worden ze gevleugeld en gaan naar gezonde plant
wortelZomer
gevleugelde vormLegt mannelijke en vrouwelijke eitjes op bladzie sexuele vormHerfst

De bladvorm is nauwelijks zichtbaar, een klein luisje, kleiner dan 1mm. Deze vorm richt weinig schade aan wat betreft de productie van de druiven of zijn kwaliteit. De wortelvorm daarentegen doet de plant afsterven. De enige remedie daartegen is om druivenplanten te enten op Amerikaanse onderstammen die resistent zijn tegen de phylloxera.
Als er erg veel bladluizen en gallen zijn, kunnen de bladeren vervormd raken en verkleuren en kan defoliatie ontstaan wat natuurlijk de opbrengst zal verminderen. In Frankrijk komt dat minder voor dan in bijvoorbeeld Amerika en Australië.

Remedie

De remedie is nog niet makkelijk. Ook nu is er nog steeds geen goed werkend middel tegen de druifluis. De oplossing werd gevonden door de wijnplanten te enten op Amerikaanse onderstokken die resistent waren. Maar er waren jaren voor nodig voor het zover was. Veel methoden zijn uitgeprobeerd, zoals het onder water zetten van de wijngaard gedurende 40 dagen en het bestrijden met zwavelkoolstof, maar geen van de methoden kon succesvol worden toegepast. Totdat men bedacht dat de Amerikaanse druivenrassen resistent waren en men het in die richting ging zoeken. Enkele Franse notabelen hadden Amerikaanse stammen en deze bleven gezond. Een probleem was wel dat de Amerikaanse stammen qua kwaliteit bij lange na niet konden tippen aan de Europese stammen, die al een selectieproces van meer dan tweeduizend jaar achter de rug hadden. De druiven moesten aangepast zijn aan het milieu en klimaat, voldoende productief zijn en resistent tegen te snelle oxidatie. De smaak van veel Amerikaanse wijn had een vossenlucht, een ‘goût foxé’, een geur en smaak die aan urine van vossen deed denken. Ook de toepassing van hybriden, kruisingen tussen Amerikaanse en Europese stammen, liep op niets uit.
Enten was een laatste mogelijkheid, maar stuitte wel op veel bezwaren. Zouden de Amerikaanse wortels dan de redding betekenen van een ziekte die uit Amerika was overgekomen? Bovendien betekende het dat alle wijngaarden geheel gerooid moesten worden en herbeplant. De meeste wijnboeren hadden onvoldoende middelen om dit te kunnen financieren.
Al vanaf 1871 deed Gaston Bazille onderzoek naar het enten. Hij entte eerst Amerikaanse ranken, die naar hem waren opgestuurd door Riley, maar die in slechte staat waren aangekomen, op Europese stammen en vervolgens liet hij ze zelf wortelen en gebruikte ze als onderstammen. Maar pas in 1878 deed hij verslag van zijn pogingen, omdat hij er eerder niet veel geloof in had. In die jaren werd er nog druk gezocht naar betere oplossingen: de problemen waren nog immens groot. Er werd veel geëxperimenteerd met Vitris Rupestris en Vitris Riparia, omdat deze het meest resistent leken te zijn tegen ziektes en krachtig waren. Maar op kalkrijke grond bleek bladchlorose op te treden.
Pas rond deze tijd, rond 1890, wordt het onderzoek naar resistente soorten waarop geënt kan worden serieuzer genomen.
In 1887 wordt Pierre Viala uitgezonden naar Amerika om daar resistente wijnstokken te zoeken die het goed doen op kalkrijke grond. Zijn tocht duurt zes maanden, waarin hij heel Amerika doorkruist en lang lijkt het er op dat hij niet de juiste bodem kan vinden waar druiven groeien, totdat hij met behulp van Thomas-Volney Munson uiteindelijk in Denison Texas de juiste druivensoorten ontdekt. Vitis berlandieri, Vitis cinerea en Vitis cordifolia zijn voor hem de soorten die resistent zijn voor kalkrijke gebieden en de moeite waard om verder te onderzoeken. Uiteindelijk bleken er diverse nadelen te kleven aan deze vormen, bijvoorbeeld de Berlandieri schiet heel slecht wortel om er maar één te noemen. Uiteindelijk bleek een kruising tussen de Vitis Berlandieri en de Vitis vinifera (41 B) de oplossing. De angst dat kruisen met de Vitis vinifera uiteindelijk de resistentie tegen de Phylloxera zou afzwakken bleek ongegrond. Tegenwoordig worden meerdere kruisingen gebruikt, afhankelijk van de grond waarop geteeld wordt: bijvoorbeeld Fercal, Ruggieri 140 en 41B doen het goed op champagne- en groies-gronden, SO4, 110 Richter en 99 Richter doen het goed op silico-argileux grond.

In 1895 waren meer dan 12.000 hectare wijngaard opnieuw aangeplant met druivenplanten, geënt op Amerikaanse wortelstokken. In 1900 waren dat er inmiddels weer 55.000 en rond 1975 110.000. Maar ten gevolge van economische factoren en restricties opgelegd door het B.N.I.C. is dat in de daarop volgende jaren geleidelijk teruggebracht tot ongeveer 75.000 Ha. De enorme omvang van wijnbouw zoals vóór de Phylloxera-ramp (283.000 Ha) is dus nooit meer bereikt.


Reacties

Phylloxera of druifluis — Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *