De natuurlijke regio’s van Charente en  Charente-Maritime:(Het grootste deel van Le marais de Poitevin (moeras van Poitevin) en van Le Confolentais behoren niet tot de appellation Cognac.)
Geologische regio’s (klik voor een vergroting):                      Bodemsoorten (klik voor een vergroting):

De champagne gronden vormen de beste bodems voor cognac. Het zijn klei-kalk bodems aan de oppervlakte, gelegen op zachte krijtachtige kalk uit het Krijt-tijdperk. Wanneer je de kalk in je handen neemt, verbrokkelt deze gemakkelijk. Je vindt deze gronden vooral in de Oostelijke wijnboog en de Cognaçais, maar ook langs de Gironde. Het is niet voor niets dat de wijnboeren uit dit gebied lange tijd geprobeerd hebben om hun appellation van fins bois te verhogen naar grande champagne, of op zijn minst naar petite champagne.

De champagne gronden zijn gevormd in het Krijt-tijdperk. Binnen het late Krijt-tijdperk worden enkele tijdvakken (etages) onderscheiden waarvan de naam afgeleid is van gebieden in de Charente, namelijk het coniacien, het santonien en het campanien. Deze gebieden zijn voor het eerst gedefinieerd door de geoloog Henry Coquand, die zo belangrijk is geweest voor de indeling in cru’s zoals we die nu nog steeds kennen. De Krijtgronden uit het Camponien vormen het hart van de grande champagne. De krijtgronden van het Santonien bedekken een groot deel van de petite champagne. Deze bevatten wat minder krijt en zijn wat vaster dan die van het Camponien. Op een belangrijk deel van het conacien is de stad Cognac gebouwd.

Zoals te zien is op de kaarten komen de champagnegronden zeker niet geheel overeen met het grande champagne en petite champagne gebied.

De borderies zijn relatief kalkarm, vaak klei-achtig gemengd met zand en vuursteen.

In de Pays Bas, het gebied noordelijk van Cognac en Jarnac met Matha als centrum (komt ongeveer overeen met het groen-geruite deel op de kaart van bodemsoorten) bestaat overwegend uit mergel-kalk. De onderlaag is slijkachtig. Deze bodemsoort wordt overigens soms ook groie genoemd.

(Groie: verschillende bodemsoorten worden groies genoemd, veelal is het kalkrijke kleigrond, maar kenmerkend is dat ze bezaaid is met keien van 0,5 tot 3 cm grootte.)

Op de vlakte van Aunis en Noord-Saintonge komt veel groie voor als bodemsoort evenals in een groot deel van de Angoumois. Het zuidelijke groie-gebied, wat vooral op de Saintonge-rug voorkomt, is van een andere samenstelling omdat het uit het Krijt-tijdperk stamt in tegenstelling tot de noordelijkere groie-gebieden die uit de Jura stammen. Groie bestaat uit klei-kalk grond met vooral veel keien. In het noordelijke Jura-gebied zijn deze keien veel harder. Deze grond is vaak roodbruin van kleur. Op de Saintonge rug worden de bodems soms ook doucin(s) genoemd, wat er ook op duidt dat ze zachter zijn.

 


Reacties

Grondsoorten — 2 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *